nieuws
03/07/2010 Vogelbuurt
Wist u dat er in het Matenpark de afgelopen 20 jaar al bijna 70 verschillende vogelsoorten zijn geteld, waarvan ongeveer de helft er in de zomer ook broedt?
Soms lees je weleens in De Stentor dat onbekende Scandinavische wintergasten zoals de pestvogel of notenkraker in het park zijn neergestreken, maar ’s zomers broeden ook al jarenlang echte bosvogels als de grote bonte specht en de sperwer in onze Gaardenbuurt.
De bekendste vogel, die we dagelijks vanaf de daklijst of vanuit een andere hoge post horen zingen, is zeker de merel. Deze vogel was halverwege de vorige eeuw nog een hele schuwe bosvogel, maar landt nu dagelijks op onze gazonnetjes op zoek naar regenwormen of insecten.
Ook in de winter strijken de zwarte merelman met helgele snavel en minder opvallende vaalbruine vrouwtjes vaak op onze voerplanken neer om te kijken of er nog iets eetbaars te halen valt. Vanwege deze voedselrijkdom in onze stadstuinen zijn er daarom langzamerhand twee merelvarianten ontstaan: de schuwe lichtgebouwde bosmerel en onze brutale dikke stadsmerel, die nu door biologen als een ondersoort wordt beschreven.
Het bosvogelkenmerk dat de merel van origine heeft om vanaf een hoge plek te zingen, heeft de merelman gelukkig behouden, zodat je al vanaf februari zijn romantische gekweel op de punt van het dak van vroeg tot laat kunt volgen tot hij er in augustus mee ophoudt.
Soms denk je in zijn ziel te kunnen kijken, als hij na een verfrissend buitje uitbundig zit te fluiten of bij de benadering van een aantrekkelijk vrouwtje gewaagde strofen in zijn lied mengt. Maar dat is slechts romantische schijn, want de enige reden voor zijn gekweel is het hoorbaar tonen van zijn territoriumreikwijdte. De merelvent vloekt louter waarschuwingen en bedreigingen naar rivaliserende mannetjes rond, maar met dat daadkrachtige fluitje trekt hij tevens de aantrekkelijkste paringspartner aan, waarmee een nest wordt gebouwd voor het aanstaande merelgezin.
Is de nu zingende merel "onze huismerel", die we vorig jaar en daarvoor ook al in de tuin hadden? Of is het misschien toch zijn zoon of wellicht een vreemde snuiter? Daarop is niet gemakkelijk een antwoord te krijgen, want alle merelmannetjes zijn zwart.
Maar soms herken je toch jouw tuinvogel aan een specifieke afwijking, zoals ik 4 jaar lang Gerrit, onze trouwe houtduif, kon blijven begroeten vanwege zijn hinkelende, éénpotige levensloop.
Gedeeltelijk albinisme komt bij merels regelmatig voor en dan kun je aan de rare witte veertjes van de tuingenoot zijn/haar leeftijd blijven volgen.
Uit onderzoek blijkt dat in tegenstelling tot de bosmerel, de stadsmerel geen zwerver meer is. Hij blijft zijn territorium semi-permanent bewonen, totdat ziekte, ouderdom, een rivaal of de sperwer er een eind aan maakt. Onze tuinmerel is geen echte wilde vogel meer!
Uit: AlleGAARDJE, zomer 2010.